Margriet was achtenvijftig toen ze voor het eerst weer naar het lentefestival in Haarlem ging. Alleen. Dertien maanden weduwe. Ze vertelt het zelf, in haar keuken aan een tafel met een bosje vroege narcissen, terwijl buiten de regen tegen het raam tikt.
"Mijn vriendin Els had mij er maandenlang over aangesproken. Ze zei: 'Je moet iets zien, desnoods een paar bloemkralen en een klarinet.' Ik heb lang nee gezegd. Te vroeg, te druk, te vol met mensen die ik niet kende. Maar toen belde ze die zaterdagochtend en zei: 'Ik ben over twintig minuten bij je. Je hoeft niets, alleen mee.'"
De drempel
Margriet vertelt dat ze in die eerste uren het gevoel had alsof ze op een schoolreisje was waar ze niet heen wilde. "Ik liep achter Els aan over de Grote Markt. Iedereen leek getweeen. Stellen van onze leeftijd, jongere mensen met kinderen, oudere dames met vriendinnen. Ik was de enige die niets bij zich had. Zelfs geen hond."
Haar man Adriaan was overleden na een korte ziekte. Ze waren achtentwintig jaar getrouwd. Ze beschrijft het eerste jaar als "wakker worden zonder te weten waarom je wakker wordt". Ze had niemand het woord daten durven noemen. Ook bij zichzelf niet.
Een tafel, een vraag
Bij een kraam met zelfgemaakte kaas, verderop bij de Sint-Bavokerk, kwam het. Een man van haar leeftijd, misschien iets ouder, probeerde met een stukje geitenkaas op een tandenstoker een gesprek aan te gaan met de kaasboer. Hij had een rustige stem en een licht Limburgs accent. Hij vroeg wat ze nog meer had, en terwijl Margriet dat aanhoorde, merkte ze dat ze zelf nieuwsgierig werd naar wat de boer aanbood.
"Ik heb niets dramatisch gedaan," zegt ze. "Ik vroeg hem: 'Welke vindt u het lekkerst?' Meer niet."
Het gesprek dat niet klopte met de theorie
Margriet had zichzelf in de dertien maanden ervoor honderden scenario's voorgehouden. In de meeste daarvan was ze in huilen uitgebarsten, had ze weg moeten lopen, had ze zich schuldig gevoeld. In dit moment gebeurde geen van die dingen. Ze stonden een kwartier te praten over kaas. Daarna een wandeling langs de Spaarne, waar Els haar discreet alleen liet.
"Hij heette Reinder," zegt ze. "Weduwnaar, net als ik. Vier jaar. Uit Heemstede. Hij praatte niet voortdurend over zijn vrouw, maar hij noemde haar wel, terloops, en dat vond ik rustgevend. Ik wist dus dat hij het begreep."
Wat ze vooraf niet had verwacht
Ze benadrukt dat ze die middag niet verliefd werd. Dat woord past niet bij wat er gebeurde. "Ik voelde mij voor het eerst in maanden niet alleen. Niet omdat hij er was. Omdat ik er zelf weer was."
Ze wisselden geen nummers uit. Hij zei: "Ik ben hier morgen ook nog, ze zeggen dat er een klarinettentrio komt." Zij zei: "Dan kom ik misschien kijken." Geen afspraak, geen belofte. Ze liep naar huis, in de trein terug naar Haarlem-Noord, en ze keek naar de mensen om haar heen zonder te denken dat zij iets hadden wat zij kwijt was.
De volgende ochtend
Margriet lacht even. "Ik heb mij die zondag opgemaakt. Een beetje. En ik heb mijzelf in de spiegel aangekeken en gezegd: 'Ik ga niet voor hem. Ik ga voor de klarinet. En als hij er is, groet ik hem.'" Hij was er. Ze hebben na afloop gewandeld richting de Bakenessergracht. Ze zijn anderhalf jaar later nog altijd geen stel. Ze zijn wel geworden wat zij "zeer goede vrienden die af en toe samen eten" noemt.
"Ik weet niet of er ooit meer van komt," zegt ze. "Dat is ook niet meer de vraag."
Wat haar verhaal laat zien
Voor lezers die vastzitten in de vraag of ze wel klaar zijn, geeft Margriets middag drie dingen te overwegen.
- Een eerste ontmoeting hoeft niets te zijn. Geen date, geen afspraak, geen intentie. Soms is een gesprek over kaas genoeg om iets in u los te maken.
- Een goede vriendin die u zachtjes duwt, is vaak waardevoller dan een boek over rouw. Niet voor haar advies, maar voor haar aanwezigheid.
- De versie van u die gelooft dat ze nooit meer zal spreken met een onbekende op een markt, heeft het meestal mis. U hoeft die versie niet te overtuigen. U hoeft alleen een keer mee te lopen.
Tot slot, in haar eigen woorden
"Ik dacht dat ik die zaterdag moest vieren dat hij er niet meer was, en daarom bleef ik thuis. Nu weet ik dat ik Adriaan het beste eer met het feit dat ik weer sta te luisteren naar een klarinet op de Grote Markt. Hij hield van die muziek. Hij hield ook van mij, levend."